Wat zijn contaminaties en pleonasmen?
Het samenvoegen van twee correcte vormen of uitdrukkingen tot een foutieve is een contaminatie;
fout: wij vinden dat de dvd erg duur kost
want: hij is erg duur of kost erg veel
fout: wij zullen dat nog even nachecken
want: wij zullen dat nog even nakijken of wij zullen dat nog even checken
Een pleonasme is een uitdrukking die dubbelop is: witte sneeuw, kleine dwerg, fortuinlijke jackpotwinnaar
Aanhef
Hoe schrijft u een correcte aanhef bij een brief of mail? En hoe heft u aan als u bijvoorbeeld het geslacht van de geadresseerde niet weet, of als uw brief aan meer personen gericht is?
De aanhef is belangrijk: u spreekt de lezer het eerst aan, en zet dus de toon van uw mail of brief. Welke aanhef u kiest, hangt af van uw relatie met de ontvanger. De standaardaanhef is Geachte + mevrouw/heer + achternaam + komma. De regels voor zakelijke mails en brieven verschillen op dit punt niet: ook in e-mails is het niet gebruikelijk om de aanhef weg te laten, of meteen over te stappen op ‘Beste Jan’.
Voorbeelden
-
Geachte mevrouw Van der Zwaard,
-
Geachte heer Toorenburg,
-
Geachte heer en mevrouw Smit,
-
Geachte heer Mandemaker en mevrouw Wanninkhof,
-
Geachte heren De Wit en Van Someren,
Als naam en geslacht van de geadresseerde onbekend zijn, kiest u voor
-
Geachte heer, mevrouw, (liever niet: Geachte heer/mevrouw.)
-
Geachte dames en heren,
Een paar tips
-
plaats na de aanhef altijd een komma;
-
schrijf geen titels in de aanhef: niet Geachte heer drs. De Bruijn,
-
gebruik niet de voornaam in de aanhef: niet Geachte Rob Jansen of Beste Rob Jansen,
-
in informele brieven en mails kiest u de aanhef waar u zich het prettigst bij voelt: Beste Jan, Hoi Jan, Dag Jan.
Hoe zit het met de d's en t's?
Je kunt niet altijd op de spellingscontrole vertrouwen: deze haalt heel wat spellingsfouten weg, maar gaat soms de mist in bij de d's en t's. De spellingscontrole begrijpt nl. niet altijd hoe sommige zinnen in elkaar zitten; hij kent het verschil niet tussen 'het plan is aanvaard' (correct) en 'hij aanvaard het plan' (fout).
Gebruik daarom een ezelsbruggetje:
1. Neem het hele werkwoord zonder –en, bijvoorbeeld gebeur of word.
2. Voeg een t toe als u die hoort bij lopen. Dus:
|
De juiste vorm is ...
|
Denk maar aan ...
|
|
het gebeurt, hij wordt
|
hij loopt
|
|
jij vergadert, je wordt
|
je loopt
|
|
word jij
|
loop jij
|
|
ik beland, ik aanvaard
|
ik loop
|
|
zij beschouwt
|
zij loopt
|
|
hij aanvaardt, hij verzamelt
|
hij loopt
|
Ondanks dat er nog uitzonderingen overblijven, kunt u met dit ezelsbruggetje al heel ver komen!
Hoe zit het nu met de tussen-n?
De ‘n’ die geplaatst wordt in een samenstelling tussen het eerste deel van de samenstelling en het tweede deel. Bijvoorbeeld: bessensap, kurkentrekker.
Wanneer schrijven we deze tussen-n?
Schrijf een tussen-n als het eerste deel van de samenstelling een zelfstandig naamwoord is dat uitsluitend een meervoud heeft op –n.
Uitzonderingen
Op deze regel zijn drie uitzonderingen:
-
Schrijf geen tussen-n als het eerste deel verwijst naar iets of iemand waarvan er maar één is: zonnestraal, maneschijn.
-
Schrijf ook geen tussen-n als het eerste deel een versterkende betekenis heeft en het hele woord een bijvoeglijk naamwoord is: beresterk, stekeblind.
-
En schrijf geen tussen-n als er sprake is van een versteende samenstelling (een van de delen is dan niet meer herkenbaar in de originele betekenis): bakkebaard, kinnebak.
Andere regels: groentesoep of groentensoep?
Schrijf ook geen tussen-n als het eerste deel van de samenstelling:
-
geen meervoud heeft: rijstepap, roggebrood.
-
een werkwoord is: spinnewiel, huilebalk.
-
een bijvoeglijk naamwoord is: goedemorgen, blindedarm.
-
een zelfstandig naamwoord is dat alleen een meervoud heeft op –s: aspergepan, horlogebandje.
-
een zelfstandig naamwoord is dat een meervoud heeft op zowel –s als –n: aangiftebiljet, groentesoep.
Let op: kosteloos of kostenloos?
-
Is het eerste deel van de samenstelling een woord dat altijd eindigt op –n, laat die n dan staan: dronkenlap, regenjas.
-
Schrijf géén tussen-n als het woord eindigt op het achtervoegsel –loos of –lijk: kosteloos, plaatselijk.
-
Maar eindigt het eerste woord zelf op een –n, dan blijft die n staan: gewetenloos, wezenlijk.
Een andere taaltip is:
Bij verwijzing naar mensen, gebruik je 'van wie';
bij verwijzing naar dingen, gebruik je 'waarvan'.
Voorbeeld:
Dit huis heeft twintig bewoners, van wie er twaalf van plan zijn te verhuizen.
De fiets, waarvan de banden kapot zijn, moet worden gerepareerd.
Welke zin is juist?
Zij is één van de collega's die meegaat op survivaltocht òf
Zij is één van de collega's die meegaan op survivaltocht
De laatste zin is correct: het gaat er namelijk om waarnaar 'wie' verwijst en dat is in dit geval naar 'collega's'. Collega's is meervoud en dus moet het werkwoord ook in het meervoud staan.
Een truc hierbij is de zin helemaal om te draaien waardoor het duidelijk wordt dat 'die' naar 'collega's verwijst:
Van de collega's die meegaan, is zij er één.
Welke zin is juist?
1) De media bereidt ons voor op een economische crisis
òf
2) De media bereiden ons voor op een economische crisis
het juiste antwoord is:
Het woord media is meervoud. Het is de Latijnse meervoudsvorm van medium. Het gebeurt wel vaker dat taalgebruikers Latijnse meervoudsvormen zoals data (gegevens) en media als enkelvoud behandelen. Ze herkennen in media en data dus niet langer de meervoudsvormen uit het Latijn; misschien komt dat door de invloed van het Engels. In het Engels kun je zeggen: The media has informed us of The data has been entered.
In het Nederlands is alleen het meervoud goed:
-
De media hebben ons op de hoogte gebracht.
-
De data worden ingevoerd.
Nog een taaltip is:
Boven een advertentie in de krant staat: 'Gevraagd: medewerkers binnen/buitendienst (m/v)'. U moet er een scherp oog voor hebben, maar als u goed kijkt, staat er een taalfoutje in. De schuine streep is eenmaal goed en eenmaal verkeerd gebruikt, maar waar is dat?
antwoord:
De schuine streep geeft een keuzemogelijkheid aan; het leesteken betekent ‘of’. Het is goed gebruikt in de afkorting m/v, kort voor man/vrouw. Maar bij binnen/buitendienst klopt er iets niet. Probeer maar eens de streep door of te vervangen:
-
Medewerker binnen/buitendienst = Medewerker binnen of buitendienst
Een ‘medewerker binnen’? Dat moet vast zijn:
-
Medewerker binnen-/buitendienst = Medewerker binnendienst of buitendienst
Dus: als u voor de schuine streep een woorddeel weglaat, dan moet u dat weggelaten woorddeel vervangen door een streepje. Vergeet het streepje niet, want het betekenisverschil kan groot zijn:
-
In uw CAO is het recht op ontslag/ontbindingsvergoeding opgenomen.
Wees gerust, het moet ontslag-/ontbindingsvergoeding zijn.
Wat is correct: hen of hun?
Is het: Ik heb hen niet gezien òf Ik heb hun niet gezien?
Antwoord:
Het is: Ik heb hen niet gezien.
De hoofdregels voor de keuze tussen hun en hen:
-
Gebruik hun bij een meewerkend voorwerp (zonder voorzetsel).
-
Gebruik hen na een voorzetsel en in alle andere gevallen.
Dit is de meest eenvoudige manier om de hoofdregels toe te passen:
Staat er een voorzetsel voor? Dan is alleen hen correct, bijvoorbeeld: aan hen die vielen
Staat er geen voorzetsel voor? Schrijf dan hun bij een meewerkend voorwerp (dat wil zeggen: als u er aan of voor bij kunt denken). Bijvoorbeeld: hij gaf hun (=aan hen) een boek
Staat er geen voorzetsel of is er geen meewerkend voorwerp? Gebruik dan hen; bijvoorbeeld: hij dankte hen voor de leuke avond
Dat of wat
is het een punt wat op de agenda staat, of een punt dat op de agenda staat?
Het moet zijn: een punt dat op de agenda staat. Maar u hoeft de voorzitter van de vergadering niet meteen te onderbreken over dit taalfoutje. In gesproken taal is het onderscheid tussen dat en wat namelijk aan het verwateren. Er zijn inmiddels meer mensen die wat gebruiken in plaats van dat, ook onder mensen die verder keurig verzorgd Nederlands spreken. De taal verandert dus nogal.
Maar zeker in geschreven taal is het verstandig de klassieke regel voor dat/wat te volgen. Die luidt: gebruik dat als u verwijst naar een onzijdig zelfstandig naamwoord (zgn. het-woord). Gebruik wat in alle andere gevallen. Juist is dus:
-
Een punt dat op de agenda staat.
-
Het boek dat op tafel ligt.
-
Alles wat ik vandaag doe, hoef ik morgen niet meer te doen.
-
Dat is iets wat ik vaker hoor.
Dat en wat zijn allebei betrekkelijke voornaamwoorden: ze verwijzen terug naar iets wat (!) eerder in de zin genoemd staat. Van dat ‘iets’ hangt af of u dat of wat kiest. Officieel luidt de regel: met wat verwijst u terug naar iets onbepaalds, met dat naar iets bepaalds.
Is het, het vermelde bedrag of het vermeldde bedrag?
Het gaat hier om het voltooid deelwoord in deze zin; een vuistregel hiervoor is: schrijf het voltooid deelwoord in deze gevallen zo kort mogelijk.
-
het vermelde bedrag
-
de verbrede weg
-
de beantwoorde brief
-
de bereide maaltijd
-
de gefietste route
De ‘lange’ vormen vermeldde, verbreedde, beantwoordde en bereidde zijn hier fout. Maar het is wel begrijpelijk waarom soms toch voor die lange vormen gekozen wordt, ze komen nl. ook voor als werkwoordsvorm. Het gaat dan om de derde persoon van de verleden tijd:
-
Zij vermeldde het bedrag onderaan.
-
Het bedrijf verbreedde zijn productaanbod.
-
Zij beantwoordde de brief.
-
De kok bereidde een verse maaltijd.
Omdat beide vormen bestaan, geeft de spellingscontrole geen foutmelding. Let dus goed op.
MAAR:
Er is een uitzondering op de regel ‘schrijf het bijvoeglijk naamwoord zo kort mogelijk’: het woord krijgt wél dubbel t of d wanneer dat voor de uitspraak nodig is. Zo is het het geredde kind (niet gerede), de gewitte (niet gewite) gang.
Wat is juist: je kan of je kunt?
Op de website van Ikea staan zinnen als "hieronder kan je de folders downloaden"... maar moet het niet zijn "hieronder kun je de folders downloaden"?
Nee, beide vormen zijn goed: je kunt en je kan zijn allebei mogelijk. Kunnen is een onregelmatig gevormd werkwoord. Er zijn meer van dat soort werkwoorden: denk aan willen (je wil/wilt) en zullen (je zal/zult).
Bij al die werkwoorden zijn twee ‘je-vormen’ mogelijk, maar er is wel een klein gebruiksverschil. Je kan klinkt voor veel mensen wat informeler dan je kunt. Hetzelfde geldt voor je wil (naast je wilt) en je zal (naast je zult). Vandaar dat u je kan eerder tegenkomt in gesproken taal, en je kunt in geschreven taal.
Maar dat gebruiksverschil is wel aan het vervagen. Vroeger vonden veel mensen je kan/wil/zal nog onverzorgd, tegenwoordig worden deze vormen steeds vaker gebruikt – zie bijvoorbeeld de IKEA-site, waar je kan goed past bij het informele taalgebruik van het woonwarenhuis. Toch is het goed om in zakelijke teksten rekening te houden met het subtiele verschil in gebruik: in een zakelijke tekst met een wat formeler karakter kan dat een reden zijn om te kiezen voor je kunt/wilt/zult.
Er wordt een mail of brief namens de organisatie geschreven. Gebruikt u dan de ik-vorm, de wij-vorm, of moet het afstandelijker?
In de meeste gevallen kunt u wij gebruiken: u schrijft uw mail of brief immers namens de organisatie als geheel. Daarbij past de wij-vorm (of we) het best. Dus:
-
Met deze brief vragen wij u om aanvullende gegevens.
-
We maken het bedrag binnenkort over op uw rekening.
Verwijst u in uw brief of mail naar uzelf? Gebruik dan de ik-vorm, bijvoorbeeld wanneer u verwijst naar een telefoongesprek of naar wat u zelf doet als schrijver:
-
Op 20 januari heb ik telefonisch met u gesproken over uw klacht.
-
Graag licht ik in deze brief toe hoe u uw pensioen kunt aanvullen.
Naast wij en ik hebt u nog een derde optie: de derde persoon. Met andere woorden, gebruik de naam van de organisatie: ABC BV neemt in dit geval de kosten voor zijn rekening. De derde persoon is wat afstandelijker, maar kan handig zijn om herhaling van we/wij te voorkomen.
Natuurlijk mag u het gebruik van ik, we/wij en de derde persoon afwisselen binnen een en dezelfde brief of zelfs binnen één zin. Denk bijvoorbeeld aan:
-
Op 28 februari hebt u ons een brief gestuurd over problemen met uw woningverhuurder. Graag leg ik u uit welke ondersteuning Stichting Huurhulp in dit soort gevallen kan bieden.
Hoe kunt u brieven of mails op een goede manier beëindigen?
Tip 1: kijk naar de toekomst
Ga in op het vervolg: wat kan de lezer verwachten, wat gaat er gebeuren, moet de lezer nog iets doen? Als u bijvoorbeeld een offerte stuurt, kunt goed afsluiten door aan te geven dat u contact opneemt om de reactie van de lezer te vernemen, of dat u bereikbaar bent voor meer informatie.
"Wij zien uit naar uw reactie op ons voorstel. Natuurlijk ben ik met veel plezier bereid om een mondelinge toelichting te geven."
Tip 2: stel een vraag
Hebt u een verzoek aan de lezer? Beschrijf dat dan gerust als een directe vraag. Omwegen als ‘Wij verzoeken u om ...’ zijn niet nodig. Duidelijker is:
"Wilt u zo vriendelijk zijn om het formulier opnieuw in te vullen? Alvast hartelijk dank daarvoor."
Tip 3: biedt iets aan
Verleen service; bied de lezer aan dat hij of zij kan reageren (zelfs als u op die reactie niet speciaal zit te wachten). Het gaat er maar om dat u de lezer laat zien dat u hem of haar verder wilt helpen, als dat nodig zou zijn.
"Als u meer informatie wilt, neemt u dan gerust contact met mij op via nummer ... Ik ben van maandag tot en met donderdag bereikbaar van 9.00 uur tot 17.00 uur. U kunt ook e-mailen naar [adres]."
U ziet: mogelijkheden genoeg om clichés te vermijden en een positieve, klantvriendelijke indruk achter te laten.
Gaat u ervan uit of gaat u er vanuit?
Het blijft lastig: ik ga ervan uit, ervanuit, er vanuit? Wanneer schrijf je van of uit aan een voorafgaand of volgend woord vast?
Ervan uitgaan
De juiste schrijfwijze is: ervan uitgaan, ik ga ervan uit. De regel is: schrijf voorzetsels (zoals van en uit) aan een voorafgaand of volgend woord vast als het voorzetsel niet hoort bij een ander woord.
Waarom ervan?
U schrijft er aan van vast, omdat het voorzetsel van niet hoort bij een werkwoord of een ander woord. Dan schrijft u het vast aan andere voorzetsels of bijwoorden: ervan, ertussen, erdoor, daarvan, daardoor. Het is bijvoorbeeld ook hiervan uitgaan, daarvan uitgaan.
waarom niet vanuit of ervanuit?
Het is niet vanuit/ervanuit, omdat uit hoort bij het werkwoord uitgaan (van). U schrijft het voorzetsel uit niet vast aan een ander woord dan het werkwoord zelf. Soms komt uit los te staan: ik ga ervan uit.
Werkwoorden als afhangen van, afzien van, ingaan op gedragen zich op dezelfde manier: ervan afhangen, ervan afzien, erop ingaan.
Schrijft men doctorandussen of MBA's met hoofdletters of niet?
Klassieke titels: kleine letters
Schrijf afkortingen van traditionele academische titels met een kleine letter en met een punt aan het einde: drs. J. Jansen, ir. A de Vries. Deze titels staan altijd voor de naam.
Internationale titels: grote letters
Gebruik wel hoofdletters bij de volgende gevallen:
-
titels die horen bij specifieke opleidingen zoals RA, registeraccountant;
-
internationale titels als MBA, Master of Business Administration.
Het is dus: J. Jansen, RA of P. Klein, MBA. Maar let op de kleine letters in BSc (Bachelor of Science) en PhD (Doctor of Philosophy).
En op visitekaartjes?
Klassieke titels krijgen dus in het normale taalgebruik kleine letters: ‘Aanwezig was drs. Jan de Vries’. Op visitekaartjes krijgen die titels meestal een beginhoofdletter, omdat ze aan het begin van de regel staan:
Drs. J. Jansen
Ir. R. de Vries
Maar een kleine letter kan ook, want deze schrijfwijze is een huisstijlkeuze, geen taalregel. U zit in dit geval dus goed met elke keuze, zolang u die maar consequent toepast.
Mag erop gesplitst worden in: "Mag ik jullie erop attent maken dat kauwgom in de vuilnisbak hoort?"
Ja, het voornaamwoordelijk bijwoord erop mag gesplitst worden. Ook correct is dus: Mag ik jullie er attent op maken dat kauwgum in de vuilnisbak hoort?
Toelichting:
Erop is, net als bijvoorbeeld daarheen, hierdoor, waarover, eronder een voornaamwoordelijk bijwoord. De delen van een voornaamwoordelijk bijwoord kunnen in veel gevallen door andere elementen in de zin van elkaar gescheiden worden. Er is wel een stijlverschil: de gesplitste vormen komen vaker voor in de spreektaal , de ongesplitste vormen vaker in de schrijftaal. In België is het gebruik van ongesplitste vormen gewoner dan in Nederland.
(1) Wil jij onze cassettespeler? Daarmee kunnen we niets meer doen.
Wil jij onze cassettespeler? Daar kunnen we niets meer mee doen.
(2) Joost heeft een geheim waarover hij liever zwijgt tegen Thomas.
Joost heeft een geheim waar hij liever over zwijgt tegen Thomas.
(3) De advocaat van de tegenpartij heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
De advocaat van de tegenpartij heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
Bij voornaamwoordelijke bijwoorden met er- is de gesplitste vorm veel gebruikelijker dan de ongesplitste. Vaak is de ongesplitste vorm zelfs uitgesloten:
(4) Volgens de sensatiebladen heeft Kevin er erg onder geleden.
Volgens de sensatiebladen heeft Kevin eronder erg geleden. (uitgesloten)
(5) Hij heeft er zijn reputatie grondig mee verknald.
Hij heeft ermee zijn reputatie grondig verknald. (uitgesloten)
Bij de vragende voornaamwoordelijke bijwoorden waarnaartoe, waarheen, waarlangs of waarvandaan is er ook een sterke neiging tot splitsing.
(6) Waar gaan we dit jaar naartoe?
Waarnaartoe gaan we dit jaar? (twijfelachtig)
Hoe schrijf je de jaren '60? Zo dus, of in de woorden: de jaren zestig?
Beide schrijfwijzen zijn juist; omdat zestig een rond getal is, kun je het beter voluit schrijven. U mag echter ook de jaren '60 gebruiken.
Jarenlang is de apostrof onterecht gevonden, je geeft d.m.v. een apostrof nl. aan dat je iets weglaat. Dat is hier niet zo, want het is nooit de jaren 1960 geweest en dus moest er de jaren 60 (dus zonder apostrof) geschreven worden. Tegenwoordig wordt er echter steeds meer gebruik gemaakt van de apostrof om duidelijk te maken dat het om de jaren 1960 gaat.
Kortom, u bent vrij te kiezen welke schrijfwijze u gebruikt: de jaren '60, de jaren zestig en zelfs de jaren 60.
De vraag is:
Wat is het voltooid deelwoord van cc'en: ge-cc'd of ge-cc't?
De juiste schrijfwijze is: ge-cc'd. Om te bepalen of er een d of t geschreven moet worden, gebruik je het kofschip; deze spellingsregel is nl. ook van toepassing op engelse termen.
Hoe werkt het ook alweer met het kofschip?
Neem eerst het hele werkwoord: cc'en en haal daar -en vanaf. Je houdt dan de stam over en deze klinkt als ee. Deze klank komt niet voor in het kofschip zodat het voltooid deelwoord een d krijgt. De juiste vervoeging is dus ge-cc'd.
Als het voltooid deelwoord van een werkwoord een d krijgt, , dan moet de verleden tijd ook met een d geschreven worden: cc'de (ik cc'de het bericht naar een collega)
Is het: er resteren een aantal vragen of er resteert een aantal vragen"?
Vroeger werd er na 'aantal' altijd een enkelvoudige persoonsvorm gebruikt, omdat men ervan uitging dat we te maken hadden met één aantal, dus enkelvoud.
Tegenwoordig mag je zowel enkel- als meervoud gebruiken: resteert een aantal vragen en resteren een aantal vragen; je kunt in deze zin een aantal namelijk vervangen door een paar of enkele.
Na een groot aantal kun je ook kiezen uit enkel- of meervoud , echter enkelvoud is dan wat gebruikelijker. Een groot aantal vrijwilligers ging(en) aan de slag of een flink aantal medewerkers maakt (maken) gebruik van deze regeling.
Let op: na HET aantal volgt wel altijd enkelvoud: het aantal pechgevallen is afgenomen